Documentatie

Wat gebeurde er op: 29 november 1947

VN besluit opdeling Palestina

Vandaag heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 181 aangenomen. Hierin wordt besloten om Palestina op te delen in een arabische en een joodse staat.

De Engelsen hadden hun mandaat over Palestina feitelijk aan de VN over gedragen omdat zij hun kolonie niet meer konden beheersen. Het arabische verzet hadden zij in de afgelopen decennia nog steeds kunnen neerslaan, maar na de tweede wereldoorlog begonnen zionistische milities goed georganiseerd verzet te plegen. De 80.000 Britse troepen in het gebied waren niet voldoende en Groot-Brittanie was door de tweede wereldoorlog financieel uitgeput.

Daarom werd een speciale commissie ingesteld om een plan voor Palestina uit te werken. Dit leidde tot een rapport op dat op 31 augustus 1947 werd gepubliceerd en waarin een twee staten oplossing werd voorgesteld. Jeruzalem zou onder internationaal bestuur blijven. Water en energie zouden door de beide staten gemeenschappelijk beheerd moeten worden en er zou een gemeenschappelijk monetair systeem komen. Zowel de Sowjet-Unie als ook de Verenigde Staten steunden het plan. Bij de stemming op 29 november 1947 werd de benodigde twee-derde meerderheid behaald. Vooral de arabische landen stemden tegen.

De grensverloop tussen de Joodse en Palestijnse staat zoals besloten door de VN. Klik voor grotere kaart.

1946 waren er in Palestina 1.270.000 Palestijnen (of: “Arabieren in Palestina”) en 610.000 Joden. De joden hadden 6 procent van het land in eigendom, met daarin 20 procent van het vruchtbare land. 55 procent van het land zou naar de joodse minderheid gaan terwijl de Arabische meerderheid 45 procent kreeg. De Palestijnen accepteerden het besluit niet en kwamen onmiddellijk in opstand.

De enorme groei van de joodse bevolking die zich volstrekt niet integreerde dan wel de autochtone bevolking respecteerde had al eerder tot opstanden geleid. Er waren voortdurende spanningen tussen joden en arabieren. Van 1919 tot 1939 nam het joodse deel van de bevolking toe van 10 procent tot 30 procent. De grootste opstand was de zogenaamde Arabische Opstand van 1936 tot 1939. Die laatste werd door de Engelsen zeer hard neergeslagen waarbij zij gesteund werden door de joodse paramilitaire eenheden. De Arabische Palestijnen werden door deze nederlaag zeer verzwakt, waardoor zij tien jaar later militair geen partij waren in de oorlog die uitbrak na de terugtrekking van de Engelsen.

Op 15 mei 1948 liep het Britse mandaat af. Een dag van te voren verklaarde de joodse staat Israel zich onafhankelijk. Bleven de gevechten daarvoor nog enigszins beperkt omdat de Haganah, de belangrijkste zionistische militie die later de kern werd van het Israelische leger, zich enigszins terughield, barrste toen de burgeroorlog in alle hevigheid uit. De zionistische troepen hadden tot doel om het aan hun toegewezen gebied en alle andere door joden bewoonde plaatsen van Palestijnen te zuiveren. De omliggende arabische landen schoten de Palestijnen te hulp maar de Palestijnen zelf waren geen partij en een aantal arabische landen volgden eigen interesses. Jordanie bijvoorbeeld veroverde en annekteerde de westelijke Jordaanoever.

Resultaat was de verdrijving van ongeveer 750.000 Palestijnen zodat er naar schatting nog maar 160.000 Palestijnen in de opgerichtte joodse staat leefden. De zionistische troepen controleerden bij de uiteindelijke wapenstilstand een groter deel van Palestina dan in de VN resolutie voorzien. Op dit gebied werd de de joodse staat gevestigd. Palestijnse vluchtelingen mochten niet terugkeren.

Levin Zühlke – van Hulzen, 26-11-2014