Documentatie

Strategie VS

Door: Jan Schnerr - Laatst aangepast op: 25 maart 2013

Samenvatting:

De opkomst na de Tweede Wereldoorlog van de Verenigde Staten als supermacht leidde tot intensieve betrokkenheid bij het Midden-Oosten. In de jaren ’50 namen de VS de koloniale machtsposities van Engeland en Frankrijk over. Tot aan de Suezoorlog (1956) hadden de VS zich terughoudend opgesteld in het Middellandse Zeegebied, tot die tijd de “achtertuin” van Europese machten. Pas midden jaren ’60 ontstond een strategische relatie tussen de VS en Israël.

In dezelfde tijd nam ook in deze regio de concurrentie met de communistische Sowjet-Unie toe. Israël werd een nuttige bondgenoot in die concurrentiestrijd. In de jaren ’60 ontstond tussen beide landen een strategische samenwerking. In de jaren ’70 werden Egypte en Jordanië uitgeschakeld als landen die Israël militair zouden kunnen uitdagen. Zij kwamen in de Amerikaanse invloedssfeer. In Libanon mislukte dat. De ondergang van de Sowjet-Unie in 1990 leidde tot een Amerikaanse overmacht. Irak en Iran werden aangevallen respectievelijk geïsoleerd. De VS garanderen de technologische voorsprong van het Israëlische leger en maken volgens sommige analisten gebruik van de dreiging die van dat leger uitgaat. Hetzelfde zou gelden voor het Israëlische atoomwapen.

Anderen werpen de vraag op of de belangen van de VS en Israël (nog) wel parallel lopen. Mearsheimer en Walt stellen dat de invloed van de pro-Israëllobby, met name op het Congres, zozeer is toegenomen dat de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek door die lobby in gijzeling is genomen. Ook wordt de stelling geponeerd (McDonnell) dat door de toenemende onafhankelijkheid van de Israëlische nucleaire macht het voor de VS niet meer mogelijk is strategisch afstand te nemen van Israël.

Een kenmerk van de Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten in de afgelopen twintig jaar is: interventionisme. De laatste twee decennia waren wat de “Greater Middle-East” aangaat extreem interventionistisch, met matig succes. De steun voor Israël is voor de VS bij het zoeken en behouden van bondgenoten een blok aan het been gebleken. Indien de VS meer afstand zouden willen nemen tot het Israëlisch-Palestijns probleem, dan zal dat gezien de zeer krachtige Israëllobby voor iedere president zeer moeilijk zijn.

Andere strategische belangen voor de VS in het Midden-Oosten zijn het beheersen van de zeeroutes, de energievoorziening (waarschijnlijk afnemend) en de verkoop van wapens. Hoewel Rusland weer een bescheiden presentie laat zien in het Midden-Oosten, lijkt China op lange termijn de nieuwe concurrent te worden. Over de strategische waarde van Israël voor de VS in de toekomstige “Greater Middle East” verschillen onder analisten de meningen.

 

ISRAËL EN DE STRATEGISCHE BELANGEN VAN DE VS

President, congres, lobby: wie bepaalt?

a Definiëring van het Amerikaans belang in de wereld. Gaat om lange termijn noties als, bescherming van de veiligheid van Amerikanen en het grondgebied van de staat; vrije handel (zoveel mogelijk) op Amerikaanse voorwaarden; vrije zeevaart; stabiliteit van de energievoorziening. Complex samenspel tussen de President, het Congres, Buitenlandse Zaken en Defensie.

b Hoe zien de VS hun belang in het Midden-Oosten en hoe vindt de strategiebepaling plaats? Ten aanzien van specifieke sectoren (bijvoorbeeld: olie) of een specifieke regio zoals het Midden-Oosten zijn in de Amerikaanse politiek lobbies belangrijk. De pro-Israëllobby (bestaande uit een joodse en een christelijke component) wordt door velen beschouwd als zo effectief, dat deze vanaf eind jaren ’70 de beleidsvrijheid voor Amerikaanse presidenten in kwesties die Israël aangaan ernstig heeft beperkt. De mate waarin dat is gebeurd is sterk in discussie gekomen naar aanleiding van het boek “De Israëllobby” van de auteurs Mearsheimer en Walt in 2007. Zij hebben aannemelijk gemaakt dat de invloed van de Israëllobby op het Midden-Oostenbeleid ook naar Amerikaanse verhoudingen ongeëvenaard is.

De VS als supermacht

De potentiële invloed van de VS in de wereld had eind jaren dertig waarschijnlijk die van de machtigste Europese staat, Engeland, overtroffen.

De macht van de VS is gebaseerd op:

  1. De geografie die het land militair vrijwel onkwetsbaar maakt (behalve voor geleide raketten met atoomwapens).
  2. De economie; krachtig door innoverend vermogen, bevolkingsgroei en een enorme thuismarkt.
  3. Een politiek systeem dat in staat is een relatief groot deel van het nationaal product te bestemmen voor de opbouw van militaire macht.

De VS waren echter nog relatief naar binnen gericht en hadden geen ervaring met een (koloniaal) imperium. De Tweede Wereldoorlog putte de Europese machten uit. De VS werd de sterkste macht, maar werd tot 1990 uitgedaagd door de Sowjet-Unie. In vele delen van de wereld namen de VS geleidelijk de koloniale machtsposities over, vaak in concurrentie met de communistische Sowjet-Unie. In het Midden-Oosten was het omslagpunt de Suezcrisis van 1956: vanaf dat jaar waren de VS in deze regio de supermacht, zij het aanvankelijk in heftige concurrentie met de Sowjet-Unie.

De macht van de VS ten opzichte van andere staten nam zeer sterk toe aan het eind van de jaren ’80, door het instorten van de Sowjet-Unie. De relatieve macht neemt de laatste jaren af:

  1. Door de opkomst van andere machten, voorop China.
  2. Doordat het vermogen van de VS voldoende budget te genereren voor de instandhouding van de militaire macht onder druk staat.
  3. Omdat de oorlogen in Irak en Afghanistan in de ogen van het Amerikaanse publiek mislukt zijn.

En specifiek voor het Midden-Oosten (“the Greater Middle East”) geldt:

  1. De zeer geleidelijke opkomst van de Europese Unie als een macht met een eigen Midden-Oostenpolitiek.
  2. De opkomst van regionale machten: Turkije, Iran en Saoedie-Arabië.
  3. De brede verspreiding van wapens die het bepaalde groeperingen (meestal aangeduid als terroristen) mogelijk maakt asynchrone oorlogen te voeren.

De stelling dat de macht van de VS snel dalende is, wordt door de meeste deskundigen niet gedeeld. In de meeste gevallen bassert men zich dan op de nog zeer grote superioriteit van het militaire apparaat van de VS, de dynamiek van zijn economie en de groei van de eigen olie- en gasproductie .

Interventionisme, isolationisme

Een kenmerk van de Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten in de afgelopen twintig jaar is: interventionisme.

De neiging tot ingrijpen in de wereld, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten, is geen eeuwige constante in de Amerikaanse politiek. Er zijn periodes van isolationisme geweest. De laatste twee decennia waren wat de “Greater Middle-East” aangaat vrij extreem interventionistisch. De basis daarvoor is vooral gelegd door de “neocons”. Een groep politieke denkers die uiteindelijk de Bush-doktrine hebben ontwikkeld: veranderen van het Midden-Oosten, regiemwisseling, democratie-export, preventieve oorlog, unilateralisme. In de visie van de neoconservatieven, de meesten maakten tevens deel uit van de pro-Israellobby, was Israël een essentiële bondgenoot. Onder president Obama is de VS hiervan voor een groot deel afgestapt: de militaire resultaten waren slecht en de financieel-economische problemen van de VS vroegen vanaf 2008 meer aandacht en middelen.

Indien de VS meer afstand zouden willen nemen tot het Israëlisch-Palestijns probleem, wat gezien de zeer krachtige Israëllobby voor iedere president zeer moeilijk zal zijn, dan zal dat tot een taakverdeling met de EU leiden.

VS in het Midden-Oosten: tijdens en na de Koude Oorlog

De concurrentie tussen het westen onder leiding van de VS en de communistische wereld hield op in 1990 met de ineenstorting van de Sowjet Unie. Het Midden-Oosten werd eind jaren ‘50 een van de “hot spots” in dit verband. In sommige landen konden de VS de posities van de westerse koloniale machten overnemen (Saoudie Arabië), in andere moest daarvoor een harde concurrentiestrijd worden gevoerd (Egypte, Perzië). Vanaf midden jaren ’60 werd het de Amerikanen duidelijk dat het leger van Israel dermate sterk was geworden, dat het land als vooruitgeschoven post zou kunnen fungeren voor Amerikaanse machtsuitoefening in dit deel van de wereld. De oorlogen van 1967 en 1973 tussen Israel en Arabische landen en de nasleep ervan leidden uiteindelijk tot het uit de communistische invloedssfeer trekken van Egypte en het verder “aanlijnen” van Jordanië en Saoudie Arabië.

In de jaren ’80 was de positie van de Sowjet-Unie wereldwijd dermate aan het verzwakken, dat hun rol in het Midden-Ooserd de Russische buitenlandse politiek hier weer actief, maar was geen partij meer voor de VS. Communistisch China is in zekere zin de opvolger van de Sowjet-Unie op het wereldtoneel. Het heeft in verband met zijn energievoorziening belangstelling voor Iran met zijn strategische ligging en voor de Perzische Golf. Het raakt daar aan de militaire invloedssfeer van de VS en (inmiddels ook) Israël.Voor beide grootmachten is voorspelbaar dat zij door nieuwe winningstechnieken meer zelfvoorzienend worden op energiegebied. Dat zal op termijn op enigerleiwijze invloed hebben op hun relaties met het Midden-Oosten.

Nader bezien: van Egypte via Libanon en Irak naar Iran

Één manier om de strategische relatie tussen de VS en Israël te beschrijven, is als de relatie tussen een supermacht die belangen heeft in de landen rond Israël en waarbij de VS de technologische superioriteit van het Israëlische leger garandeert en de betreffende landen garandeert dat zij niet door dat leger worden aangevallen zolang zij de Amerikaanse belangen in het oog houden. Hieronder worden enkele crises genoemd die voornamelijk een militaire achtergrond hadden.

Het door de VS gesponsorde vredesverdrag tussen Egypte en Israël in 1979 was in het belang van de VS. Het was de bezegeling van een proces waarin Egypte uit de communistische invloedssfeer werd getrokken. Op de achtergrond speelde de nederlagen die het Egyptische leger in 1967 en 1973 had geleden tegen het Israëlische leger. Egypte wendde zich af van de Sowjet-Unie als wapenleverancier en koos voor de Amerikaanse technologie en de daarbij verstrekte financiële ondersteuning. Niet in het belang van de VS was de Israëlische weigering (en de macht om die weigering door te zetten tegen de wens van de regering Carter) om in het vredesverdrag een concrete opening te bieden voor de oplossing van het Palestijnse probleem.

De crisis in Libanon in 1982-1983 liep voor de VS uit op een fiasco, mede omdat Israël zijn eigen agenda volgde en daarover niet altijd transparant was naar Washington. De VS onder president Reagan hebben zich daarbij neergelegd. De VS hadden ervaring met interventie in Libanon: in 1958 werd met redelijk succes de marine ingezet. De Amerikaanse macht bleek voldoende om in dit notoire wespennest orde op zaken te stellen op Amerikaanse voorwaarden. Dat was begin jaren ’80 niet meer het geval. Israël bepaalde zeker niet alleen het verloop van de gebeurtenissen in Libanon en voerde intensief overleg met de Amerikanen. Maar door het wegvallen van de dreiging aan de Egyptische grens (en het inbinden van Jordanië) dank zij de Amerikanen, was het in staat aan de noordzijde relatief zelfstandig op te treden.

De “tweede Libanonoorlog” in 2006 bestond uit verwoestende aanvallen door Israël op Hezbollah en op de burgerbevolking en de infrastructuur. Er was intensief overleg met de regering Bush maar Israël opereerde zwelfstandig en niet als uitvoerder van Amerikaans beleid. De VS steunden Israël onvoorwaardelijk, ook toen de aanvallen wereldwijd kritiek oogsten, inclusief vanuit Europa. De oorlog werd een fiasco voor het Israëlische leger en versterkte de positie van Hezbollah. De afloop van deze oorlog heeft de Amerikaanse strategische belangen schade berokkend (Mearsheimer/Walt). Analyses achteraf (onder meer van de gang van zaken in en rond het Amerikaanse Congres) komen veelal tot de conclusie dat de invloed van de joodse pro-Israëllobby, gesteund door de christen-zionisten, op het Amerikaanse Midden-Oostenbeleid en gezien vanuit de Amerikaanse belangen, te groot is geworden. (anders: Steven L. Spiegel en Martin Kramer)

De oorlog tegen Irak (en de aanloop daarheen in de jaren ’90) wordt over het algemeen gezien als een project van de neoconservatieven in de VS, een stroming van voornamelijk Republiekeinen. Er was al jarenlang een nauwe samenwerking tussen deze stroming en de Israëlische politieke en militaire elite. De neoconservatieven kregen echter pas onder president Bush alle ruimte. Volgens veel analisten waren de officiëel door de VS naar voren gebrachte strategische motieven onvoldoende om deze oorlog te voeren: oliebelangen, strijd tegen terroristen, massavernietigingswapens. Doorslaggevend was de opvatting bij de neoconservatieven en de Israëllobby dat regiemwisseling in Irak de strategische positie van de VS en Israël zou verbeteren.

Na de regiemwisseling en de vernietiging van de Iraakse infrastructuur groeide de kwestie Iran uit tot de belangrijkste strategische kwestie in de “Greater Middle East”. Israël oefent sinds 1993 druk uit op de VS om een harde lijn te volgen in verband met de veronderstelde wens van Iran om eveneens een atoomwapen te ontwikkelen. Binnen de Amerikaanse politieke establishment bestond van meet af aan een belangrijke stroming die de harde lijn, inclusief oorlogsdreiging, niet ziet als in het Amerikaanse belang. In de laatste jaren heeft de druk van Israël en de pro-Israëllobby de regering Obama dicht bij voorbereidingen voor een aanval op Iran gebracht. Tot nu toe heeft deze president echter over een aanval op Iran gesproken in termen van ““when it is necessary to defend the United States and its interests” en niet: “the U.S. and its allies”. Dat spreekt in het algemeen vanzelf, maar de laatste twintig jaar niet als het Israël betreft.

Steun voor een Joodse staat: het nut van Israël voor de VS als wereldmacht

Israël, zijn efficiënte leger en het Israëlische atoommonopolie hebben een voor de VS belangrijke rol gespeeld bij:

  • Het binnen de Amerikaanse invloedssfeer brengen van Egypte en Jordanië vanaf de tweede helft van de jaren ’70.
  • Het bestrijden (met weinig succes) van ongewenste stromingen in Libanon.
  • Het mede ondersteunen van het Shah-bewind tussen 1953 en 1979.
  • Het mede onder druk zetten van landen die mogelijk nucleaire ambities koesteren: Irak, Syrië, Iran (na 1979).
  • Het open houden van transportroutes voor olie.
  • De strijd tegen het terrorisme respectievelijk radicaal islamitisch verzet tegen westerse invloed.

Voorts is Israël vermoedelijk in het algemeen een belangrijke bron van inlichtingen geweest voor de VS.

De steun voor Israël in de laatste drie decennia moet waarschijnlijk minder worden verklaard uit het strategische nut voor de VS, dan wel uit de binnenlandse politiek: de Israëllobby (zie, uitgebreider: 8B3.2 en 8B3.4). De Amerikaanse presidenten hebben vanaf midden jaren ’40 van de vorige eeuw te maken met een krachtige Joodse lobby. Deze was eind jaren ’40 al in staat het Amerikaanse stemgedrag in de VN ten gunste van Israël te beïnvloeden. Vanaf eind jaren ’60, begin jaren ’70 voegde zich daar de toenemende invloed van de meer fundamentalistische christenen bij. De nog enigszins kritische benadering door de Amerikaanse politieke establishment van deze gezamenlijke lobby en van de Israelische politiek onder president Carter, was voor latere presidenten geen optie meer. Tot aan de Suezoorlog (1956) hadden de VS zich terughoudend opgesteld in het Middellandse Zeegebied, tot die tijd de “achtertuin” van Europese machten. Pas midden jaren ’60 ontstond een strategische relatie tussen de VS en Israël.

De spanning tussen het Amerikaanse en het Israëlische belang

Er heeft altijd een discussie bestaan over de vraag: verliest Amerika zijn eigen belangen niet teveel uit het oog door zijn vrijwel onvoorwaardelijke steun aan de joodse staat. De aarzelende president Truman werd in de jaren ’40 door persoonlijke relaties over de streep getrokken bij de totstandkoming van de staat Israël. President Eisenhower en zijn minister Foster Dulles ergerden zich aan het ondoorzichtige optreden van Israël in de Suezcrisis van 1956. De presidenten Kennedy en Johnson wisten dat zij niet goed geïnformeerd waren over het Israëlische atoomprogramma (zie uitgebreider: 4B3). Van hen loopt een rechte lijn naar president Obama die in de kwestie van wel of geen aanval op Iran, onder zeer zware druk stond van de Israëlische premier Netanyahu en de joodse pro-Israël organisatie AIPEC. Vijf weken voor de verkiezingen van november 2012 zei hij dat hij “[feels] an obligation, not pressure to make sure that we’re in close consultation with the Israelis on these issues because it affects them deeply.” Deze woorden drukken twee dingen uit. 1. Ik, president, handel autonoom. 2. Israëlische zorgen gaan de VS in het bijzonder ter harte. Het eerste wordt ter discussie gesteld door onder andere Mearsheimer en Walt. Het tweede kan verschillend worden geïnterpreteerd. Anderen stellen dat Israël door de mogelijkheid zijn atoomwapen in te zetten een drukmiddel in handen heeft om de VS tot medewerking te bewegen. Scott McConnell meent zelfs dat het daardoor voor de VS waarschijnlijk al te laat is om strategisch afstand te nemen van Israël.

De nuclaeaire kwestie en wapenleveranties

Een strategisch belang van de VS is het beperkt houden van het aantal landen dat over kernwapens beschikt, dan wel het aan zich binden van zulke landen. In dit geval gaat het om Israël, Iran, Pakistan en India. Sommige analysten gaan ervan uit dat Saoedie-Arabië Iran zal volgen wanneer dat laatste land kernwapens heeft. Het Iraanse programma leidt hoe dan ook tot grotere wapenleveranties aan de regio en tot druk vanuit Israël via zijn Amerikaanse lobby om zijn “veiligheid” te blijven waarborgen. Het potentiële ontwikkelingen op nucleair gebied hebben stimulerend gewerkt op de door de VS geïnitieerde raketverdediging (“defensive shield”). Met Israël en Turkije zijn daarover overeenkomsten gesloten.

Er zijn in de regio drie machten die geen kernwapenprogramma hebben en die dat compenseren of vermoedelijk gaan compenseren met conventionele wapenprogramma’s. Naast Saoedie-Arabië zijn dat Turkije en op termijn mogelijk Egypte. Dit zijn voor de wapenindustrie in de VS (en enkele Europese landen) zeer interessante markten. De strategische dimensie is dat Israël tot nu toe vrijwel instemmingsrecht heeft ten aanzien van de vraag welke technologie er geleverd mag worden door de VS. Ook voor wapenleveranties door Duitsland geldt dat.

De energievoorziening

Door nieuwe winningstechnieken zullen meer landen in de wereld meer zelfvoorzienend worden op energiegebied en minder afhankelijk van landen als Soedie-Arabië en Iran. De strategische betekenis van het gebied voor de VS zou daardoor op zich kunnen verminderen. In hoeverre dat zal gebeuren hangt echter van meer factoren af. De belangrijkste van die factoren is de toekomst van de “onverbrekelijke” relatie tussen de VS en de joodse staat. De VS hebben de rol op zich genomen om Israël te steunen in zijn strijd om de macht in het Midden-Oosten en zijn atoommonopolie te behouden. Ofwel: Israël te beschermen tegen zijn vijanden. Een andere factor is het tegenwicht dat de VS opbouwen tegen de Chinese expansie. Onder andere door China een gemakkelijke toegang te “ontzeggen” (“denial”) tot strategische zeewegen en energiebronnen.

 

Literatuursuggesties:

1. Khalidi, Rashid. Resurrecting Empire: western footprints and America’s perilous path in the Middle East. Boston : Beacon Press, 2004.

2. Aruri, Naseer. Dishonest Broker. South End Press: Cambridge MA, 2003.

3. Chomsky, Noam. Fateful Triangle: The United States, Israel and the Palestinians. Cambridge, MA: South End, 1999.

4. Hersh, Seymour M. The Samson Option: Israel’s Nuclear Arsenal and American Foreign Policy. New York, Random House, 1991.

5. Blackwill, Robert D. en Walter B. Slocombe. Israel A Strategic Asset for the United States. The Washington Institute for Near East Policy, 2011.

6. Khalidi, Rashid. Sowing Crisis: The Cold War and American Dominance in the Middle East. Beacon Press. 2010.

7. Quandt, William B. Peace Process: American Diplomacy and the Arab-Israeli Conflict in 1967. Washington DC, Brookings Institution Press, 2005 (3e dr.).

8. Mearsheimer, John J. en Stephen M. Walt The Israel Lobby and U.S. Foreign Policy. Farrar, Straus and Giroux, 2007. (Ned. vert.:) De Israëllobby. Amsterdam/Antwerpen, uitg. Atlas, 2007.

9. Dowty, Allen. Middle East Crisis: Decisionmaking in 1958, 1970 and 1973. Berkeley, CA, University of California Press, 1984.

10. Spiegel, Steven L. The Other Arab-Israeli Conflict: Making America’s Middle East Policy from Truman to Reagan. Chicago, Il, University of Chicago Press, 1985.

11. Bass, Warren. Support Any Friend: Kennedy’s Middle East and the Making of the U.S.-Israel Alliance. New York, Oxford University Press, 2003.

12. Raviv, Dan en Yossi Melman. Friends in Deed: Inside the U.S.-Israel Alliance. New York, Hyperion, 1994.

13. Cultuur en strategie: de Verenigde Staten en het Iraakse fiasco. Paul Aarts, Ger Eisenloeffel en Paul van Hooft, Vrede en Veiligheid 34 (2005)

Sites en zoektermen:

1. Scott McConnell. The Special Relationship with Israel: Is It Worth the Costs? Middle East Policy Council, 2011.

2. Stratfor Bush Obama continuity foreign policy

3. Avi Shlaim Obama Netanyahu

4. belfercenter.ksg.harvard.edu Rami Khouri Congress Israel

5. thedailybeast Peter Beinart Obama Israel second term

6. INSS (Institute for National Security Studies) Strategic Assessment

7. Chas W. Freeman Jr., William B. Quandt, John Duke Anthony en Marwan Muasher. U.S. Grand Strategy in the Middle East: Is There One? Middle East Policy Journal, 2012.

8. US foreign policy Israel lobby

9. Irene Gendzier US policy Israel Palestine 1948

10. Walter Pincus national security United States Israel

11. AIPEC US Israel strategic partnership

12. Gendzier, Irene. Past Tense, Present Sense: Considering US Oil Interests and the Connection with Israel/Palestine: 1945-49. ZNet, 21-05-2009

CITAAT:

1. “The United States is responsible for pursuing its own interests at the lowest possible cost.” George Friedman, in The Elections, Gridlock and Foreign Policy, website Stratfor, 7 november 2012.

2. “De echte bedreiging, is de bedreiging van Israël. En dat is een bedreiging die niet bij name genoemd mag worden, omdat de Europeanen daar niet zo erg mee zitten [...] En de Amerikaanse regering wil er niet zoveel woorden aan vuil maken, omdat het geen populair onderwerp is.” Philip Zelikow, van 2001-2003 lid van de Foreign Intelligence Advisory Board, op 10 september 2002 tegen een gehoor op de universiteit van Virginia over de dreiging van het Iraakse regiem. (Mearsheimer/Walt, blz. 292.)

Nog geen reacties op: Strategie VS

Uw reactie:

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>